Categorieën
Plaatsen

van Diepen

 

De geschiedenis van het bedrijf kan het best worden gevolgd tegen de achtergrond van de historische ontwikkelingen van de wolindustrie in het algemeen en binnen Tilburg in het bijzonder. Daarnaast hebben ook familiale gebeurtenissen en belangen een stempel gedrukt op het bedrijf.

Reeds gedurende de middeleeuwen was  in Tilburg sprake van wolenstoffen fabricage in de vorm van huisnijverheid. In de 17e en 18e eeuw lag het accent op de commissionaire nijverheid, waarbij in opdracht van Leidse en Amsterdamse lakenfabrikanten werd gewerkt. Toch waren er in deze periode ook ondernemers die voor eigen rekening gingen produceren maar de beperkingen hiertoe werden pas weggenomen in 1795, toen Noord-Brabant gelijk gesteld werd met andere gewesten van de in dat jaar uitgeroepen Bataafse republiek. De Limburgse fabrikanten konden niet meer gehinderd door beperkende bepalingen hun producten voortaan zelf geheel afwerken.
De veranderde situatie stimuleerde de oprichting van vele bedrijven in het begin van de 19e eeuw. Zo sloot in 1808 Douanes  Diepen, een lakenkoopman uit Den Bosch, een “Contract van compagnieschap” met Frans Jellinghaus en Willem van Spaendonck onder de firma, Jellinghaus, Diepen & Co. met het doel ’t fabriceren en verkopen van lakens zoo voor eigen rekening als voor andere in commissie.

In 1811 werd Douanes Nicolaas Diepen, de oudste zoon van Johannes, in de firma opgenomen, waarbij dientengevolge de firmanaam veranderde in Diepen, Jellinghaus & Co.
In de Franse tijd leverde het bedrijf hoofdzakelijk uniformlakens aan het leger, de afzet had daarbij niet te kampen met buitenlandse concurrentie dankzij de protectionistische politiek van Napoleon. Ook na het vertrek van de Fransen gold de firma als één van de grootste leveranciers van militair laken, getuige o.a. de aanzienlijke legerorders voorafgaande aan de slag bij Waterloop in 1815.
Behalve laken vervaardigde de fabriek andere soorten stof, zoals duffels, karabijnen en balijen. In 1816 telde de firma 366 werknemers en 41 lakengetouwen en was daarmee de grootste wollenstoffenfabriek van Tilburg.
De daarop volgende jaren werden gekenmerkt door crisis als gevolg van de opheffing van het continentale stelsel en de daarmee gepaard gaande buitenlandse concurrentie.
In 1820 kwam koning Willem I met een aantal beschermende maatregelen, die een gunstig effect hadden op de Limburgse wolnijverheid. Zo moesten voortaan de aan het Rijk te leveren wollen stoffen van binnenlands fabrikaat zijn. In verband hiermee werd de Limburgse Lakenhal opgericht, waar de geproduceerde stoffen werden geregistreerd en gemerkt. Van de 4161 ingeschreven stukken laken waren 2541 afkomstig van de firma Diepen, Jellinghaus & Co. Hieruit blijkt opnieuw dat de firma een groot aandeel had in de levering van met name militaire lakens.

In 1827 deed de stoommachine haar intrede in de fabriek, een paar maanden nadat de eerste bij de firma Bieder van Doren in gebruik was genomen.
De Belgische opstand en de afscheiding in 1830 stimuleerde aanvankelijk de bedrijvigheid als gevolg van het groeiend aantal legerorders. Later bleek het verlies van deze afzetmarkt echter zwaarder te wegen, ofschoon tegelijk de concurrentie van Belgische producten verdween.
De eerste fabrieksuitbreiding vond plaats in 1835. In dat jaar werd op het terrein van Ongelijk, gelegen ten westen van de stad aan de grens met Galerijen, een valkerij, ververij en wolwasserij gebouwd. Een paar jaar later, in 1839, kreeg het bedrijf een fikse tegenslag te verwerken: een brand legde binnen twee uren het fabriekcomplex op het tegenwoordige Kovelplein volledig in as. Ook voor het archief had dit nare gevolgen.
Nog in hetzelfde jaar werd op de plaats van de oude fabriek de herbouw ter hand genomen. In de nieuwe fabriek werden later ook de valkerij en ververij ondergebracht, waarna de gebouwen te Ongelijk verkocht werden aan koning Willem II.

Gedurende de periode 1839 tot ongeveer 1850 verkeerde de Limburgse wolindustrie in een crisestoestand; vele fabriekanten drongen bij de regering aan op een betere bescherming, evenwel zonder succes.
Inmiddels was in 1841 Frans Jellinghaus gestorven. Zijn familie bleef mogelijk in de zaak tot in 1844 ook Johannes Diepen overleed.
Het jaar daarop richtten KJ. Diepen en zijn zoon J.H.A. Diepen de firma KJ. Diepen & Co op, waarbij de goederen van de oude firma in de nieuwe vennootschap werden ingebracht.
Het bedrijf had eveneens te lijden onder de crisis, maar in mindere mate dankzij orders van een aantal vaste afnemers, zoals de departementen van Marine en Koloniën en de Nederlandssje Handel-Maatschappij.
Vanaf circa 1850 nam de bedrijvigheid weer toe. De firma ging zich meer toeleggen op de productie voor de civiele markt. Zo werden andere stoffen in het productie-assortiment opgenomen, zoals flanel, satin, tricot en douskin. Een gunstige invloed had eveneens de invoering van de nieuwe Tariefwet van 1862. Ofschoon hiermee een einde kwam aan het protectionisme stimuleerde deze wet tot verbetering van productiemethoden teneinde meer greep te krijgen op de civiele markt tot in de jaren dertig van de 20e eeuw.
In verband met de uittreding van J.H.G. Diepen werd de vennootschap in 1878 ontbonden A.L.A. Diepen zette de firma alleen voort tot zijn overlijden in 1895.

In de tachtiger jaren had de Limburgse wolindustrie te lijden onder de landbouwcrisis, omdat onder de boeren de vraag naar met name grovere stoffen daalde. De afzet stagneerde bovendien door protectionistische maatregelen in het buitenland. Bij de Gebroeders Diepen kwam de malaise o.a. tot uiting in de hogere afschrijvingen en een daling van de investeringen.  Vele Limburgse fabrikanten zagen in die tijd maar één oplossing voor de problemen: afschaffing van de Nederlandse vrijhandelspolitiek. Met name Armand Diepen was een vooraanstaand voorvechter van het protectionisme, getuige zijn vele publicaties over dit vraagstuk.
Vanaf circa 1890 herstelde het bedrijfsleven zich. De uitvoer nam weer toe en dankzij een toenemende mechanisatie daalden de productiekosten, zodat de concurrentiepositie verbeterde.

In 1895 stierf Armand Diepen, waarna zijn zoon J.F.M. Diepen de zaak voortzette. In respectievelijk 1902 en 1907 traden zijn broers, R.J.A. en H.G.K.F. Diepen in de firma. J.F.M. Diepen trok zich echter in 1911 terug om zich in Valkenburg geheel aan de Vroegchristelijke archeologie te wijden.
Gedurende de eerste wereldoorlog stagneerde de aanvoer van grondstoffen en steenkool. De hierdoor gestegen grondstofprijzen brachten menig fabriek in de problemen. Anderzijds kwamen er  al snel legerorders binnen waardoor vele wollenstoffenfabrieken op volle toeren draaiden.
Na de oorlog braken weer moeilijke tijden aan. De hoge invoertarieven in het buitenland bemoeilijkten de export. Ons land voerde nog steeds een vrijhandelspolitiek, zodat wollen stoffen makkelijker konden worden ingevoerd.

In 1920 overleed R.J.A. Diepen. De leiding van de fabriek berustte nu alleen bij H.G.K.F. Diepen. Het jaar daarop werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap. Uit de statuten blijk het gesloten karakter van de N.V., aangezien alle aandelen op naam waren gesteld en de overdracht van de aandelen aan beperkende regels was gebonden. Het bedrijf werd dus een familievennootschap.

In 1925 sloot de N.V. een overeenkomst met de firma’s J.J. Krantz & Zoon en E. Elias om door middel van samenwerking de onderlinge concurrentie zoveel mogelijk te beperken. Deze zogenaamde “Kradiel”-combinatie onderhield nauwe contacten met vier grote uniformmakerijen, te weten Kattenburg, Nicolai, Ibelings- en Bodenheim, die in hetzelfde jaar ook een belangengemeenschap hadden gevormd en belangrijke afnemers  waren van de “Kradiel”-combinatie.

De economische wereldcrisis van de jaren dertig maakte export vrijwel onmogelijk, zodat men afhankelijk was van de binnenlandse afzet.
In de periode 1936-1939 herstelde het bedrijfsleven zich enigszins. Vooral in 1939 nam de productie toe, omdat door de oorlogsdreiging legerorders werden geplaatst. Tijdens de tweede wereldoorlog kreeg de Tilburgse wolindustrie orders van de Duitse bezetters te verwerken.
In 1942 werd de N.V. omgezet in een commanditaire vennootschap. De aanleiding hiertoe werd gevormd door het Liquidatiebesluit van 1941. Dit besluit maakte het mogelijk vrijstelling of vermindering van belasting te verkrijgen indien een naamloze vennootschap tot liquidatie overging en zich omzette in een commanditaire vennootschap.
Gedurende de oorlogsjaren werd de administratie van het bedrijf aangepast aan de nieuwste inzichten op bedrijfseconomisch gebied. Tevens werden de researchactiviteiten uitgebreid met het oog op nieuw e productieprocessen en hogere kwaliteitseisen.

In oktober 1944 werd Tilburg bevrijd. Het weer op gang brengen van de productie verliep tamelijk moeizaam vanwege gebrek aan materiaal en hulpstoffen. Bovendien was er sprake van een tekort aan personeel.
In 1946 overleed H.G.K.F. Diepen. Hij werd opgevolgd door zijn zoon J.K.O.C. Diepen, die hem reeds vanaf 1934 in de leiding van het bedrijf had bijgestaan.
De commanditaire vennootschap werd in 1947 weer omgezet in een (gesloten) naamloze vennootschap.
Op het gebied van de samenwerking werd in 1942 een belangrijke stap gedaan. De N.V. richtte samen met andere wolfabrikanten de N.V. Wollenstoffen Maatschappij “N.W.S.” op. Hiermee beoogden de oprichters het gezamenlijk belang op het gebied van productie en verkoop beter te kunnen behartigen.

De periode van 1948-1959 was een tijd van voorspoed voor de fabriek, ofschoon de hoge wolprijzen aanvankelijk financieringsproblemen met zich mee brachten. Opvallend is dat het bedrijf zich steeds meer toelegde op de productie voor de civiele markt (confectie en grossiers), terwijl de levering van uniformstoffen voor met name de overheid steeds verder afnam.
Aan het einde van de vijftiger jaren begon zich echter de achteruitgang af te tekenen. Evenals andere wollenstoffenfabrieken werd de N.V. geconfronteerd met een toenemende concurrentie van Italiaanse producten; met name uit Rato, waar goedkoper kon worden geproduceerd. De verminderde afzet op de binnenlandse markt resulteerde vanaf 1963 in een geleidelijke daling van de omzet. Naar aanleiding van enkele rapporten over de kam- en strijkhavensector werden pogingen gedaan tot een noodzakelijk geachte schaalvergroting.
Zo kwam in 1958 een fusie met de N.V. Wollenstoffenfabriek Latex tot stand, waarbij het totale aandelenpakket van dit bedrijf werd overgenomen. De productie van Latex werd volledig geïntegreerd in de N.V., maar men kwam overeen dat Latex haar eigen verkoopbeleid mocht blijven voeren in coördinatie met de Gebroeders Diepen. De fusie had aanvankelijk tot gevolg dat de N.V. met verlies draaide, omdat de integratie hoge kosten en productieproblemen met zich meebracht. 20 )?Slechts moeizaam kwam hier later verbetering in.
Rond 1968 begonnen tevens besprekingen met J.J. Krantz & Zoon N.V. en de Gebroeders Frankena’s ?Wollenstoffenfabrieken teneinde tot een eventuele fusie te komen.
In oktober 1971 trok Franken zich echter terug. Hoewel Diepen en Krantz daarna de besprekingen hebben voortgezet werd de fusie echter niet verwezenlijkt.
Naar aanleiding van het in 1971 gewijzigde vennootschapsrecht werd de In. in 1972 omgezet in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Alle In waren namelijk in het vervolg verplicht hun jaarstukken te publiceren, dus ook de gesloten In. De b.v. daarentegen kent een minder verregaande publicatieplicht en de mogelijkheid de overdracht van aandelen te beperken, zoals ook bij een gesloten In. het geval was. Nog in hetzelfde jaar besloten de commissarissen en aandeelhouders tot liquidatie van het bedrijf over te gaan, mede gezien de pessimistische verwachtingen ten aanzien van het orderbestand. Aanvankelijk hield men de mogelijkheid open om de productie op beperkte schaal voort te zetten, maar hier werd echter van af gezien. De kans op winstgevende productie werd te gering geacht. Op 8 december werd definitief besloten te liquideren onder afwerking van de orderportefeuille.

Op 24 mei 1973 werden de terreinen en gebouwen verkocht aan de gemeente Tilburg. In juni heeft men de productie stopgezet, nadat alle orders waren uitgevoerd. Voor het personeel werd een afvloeiingsregeling getroffen en tenslotte werden de overgebleven machines verkocht.
De activiteiten van de B.V. beperkten zich voor de toekomst tot verzorging van pensioenen van oud-werknemers en het beleggen van de daarvoor benodigde gelden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


*